Nieuws

Blijf op de hoogte met de nieuwsflits van toegepaste gerontologie

Professionals van de toekomst weten minder over ouderen dan gehoopt

Mede vanwege de vergrijzing komen professionals uit diverse domeinen in toenemende mate in contact met oudere mensen. Het is van belang dat oudere mensen zich prettig voelen bij deze professionals. Helaas blijkt dat bij professionals regelmatig ‘ageisme’ of ‘leeftijdsdiscriminatie’ voorkomt. Dit uit zich bijvoorbeeld in het gebruik van ‘elderspeak’, het betuttelend aanspreken van oudere mensen. Professionals doen dit niet met verkeerde bedoelingen. Ze gaan ervan uit dat dit vriendelijker en geschikter is voor de oudere doelgroep. Dit is echter een misvatting (Grimme e.a., 2015). Een ander voorbeeld van ageisme is wanneer oudere mensen in het gezelschap van een jonger familielid of ander jonger persoon in gesprek gaan met een professional en de professional vervolgens niet direct de oudere persoon, maar de jongere ‘begeleider’ aanspreekt, ‘Ik denk dat uw moeder…’ of ‘Voor uw schoonvader zou het beter zijn als…’. Het is van belang dat professionals oudere mensen op een professionele wijze benaderen en hen niet anders behandelen vanwege hun leeftijd. Hoewel ageisme bij alle professionals voorkomt en niet goed is te praten, is het bijzonder stuitend wanneer dit in het (ouderen-)zorgdomein gebeurt. Juist mensen die dagelijks met oudere mensen werken, zouden voldoende kennis moeten hebben over het verouderingsproces.

Wat is ageisme?

Ageisme behoort naast racisme en seksisme tot de drie grootste ‘isms’ in de wereld. De World Health Organisation (WHO, 2018) definieert ageisme als: ‘Stereotypering, vooroordelen en discriminatie van mensen op basis van hun leeftijd.’ Ageisme is volgens deze definitie dus niet per se aan een oudere leeftijd gebonden. Het kan ook gaan om achterstelling van kinderen, jongeren of volwassenen op basis van hun leeftijd. Voor dit artikel richten we ons echter op ageisme bij oudere mensen, ofwel ‘het anders behandelen van mensen op basis van hun gevorderde leeftijd’. Ageisme is niet per definitie negatief bedoeld. Ageisme gebeurt doorgaans onbewust, dat wil zeggen dat mensen zich er vaak niet van bewust zijn dat ze mensen anders behandelen op basis van het simpele kenmerk leeftijd. Sterker nog, vormen van ‘positieve discriminatie,’ of het bewust geven van een voorkeursbehandeling aan de ene groep ten opzichte van de andere bestaan. Denk bijvoorbeeld aan het geven van leeftijdskorting of het opstaan voor oudere mensen in het openbaar vervoer. Dit is niet ‘kwaadwillig’, maar het is wél discriminerend in termen van ‘het anders behandelen op basis van het kenmerk leeftijd’. Echter, veruit de meeste ageisme heeft voor ouderen verstrekkende, negatieve gevolgen. Denk bijvoorbeeld aan achterstelling van oudere mensen op de arbeidsmarkt en slechtere voorwaarden voor hypotheken, maar ook aan veel subtielere vormen van sociale uitsluiting waarbij anderen beslissingen nemen in de plaats van de ouderen zelf.

Stereotypering, ook op basis van leeftijd, is een onbewust proces (Hilton & Von Hippel, 1996). We hebben allemaal bepaalde stereotypebeelden over oudere mensen. Dat is op zichzelf niet gek. Stereotypebeelden hebben we nodig om de wereld overzichtelijk te maken. Onze (stereotype)beelden ontwikkelen we al tijdens onze opvoeding. Denk bijvoorbeeld aan beelden van oudere mensen in kinderboeken en tekenfilms op televisie. Het wordt problematisch wanneer we naar deze stereotypebeelden gaan handelen. Voorbeelden van negatieve stereotypebeelden over oudere mensen zijn bijvoorbeeld fragiel, vergeetachtig of zielig. Positievere stereotypebeelden zijn bijvoorbeeld warm, medelevend en schattig (Cuddy e.a., 2005). Onderzoek toont aan dat oudere mensen vaak ‘medelijden’ oproepen en dus ook met medelijden worden behandeld (Cuddy e.a., 2005). Dat klinkt misschien onschuldig, maar beeld je eens in hoe het is om doorlopend als ‘zielig’ te worden bestempeld. Dat is geen fijne benadering. Een potentieel gevaar bij ageisme zit in het risico op een ‘selffulfilling prophecy’, een op zichzelf onjuiste voorstelling van zaken die daardoor alsnog realiteit wordt. Wanneer je iets maar vaak genoeg hoort, ga je er vanzelf in geloven.

Ageisme bij (zorg-)professionals in opleiding

De kennis over veroudering en ageisme onder (zorg-)professionals in opleiding werd in de periode 2018-2019 onderzocht. Negentien (zorg-)professionals in opleiding kregen een vertaalde variant op de ‘Facts on ageing quiz’ voorgelegd (Palmore, 1999; Badura & Breytspraak, 2015). Deze quiz bestaat uit vijftig stellingen, zoals ‘Naarmate mensen ouder worden, neemt de reactietijd toe/reactiesnelheid af’ en ‘De meeste ouderen wonen in verpleeghuizen’ en is ontwikkeld om feiten over veroudering te toetsen. De ‘Facts on Ageing quiz’ is een Amerikaans instrument. Hoewel de meeste kennis generiek van aard is en ook in andere samenlevingen van toepassing, geldt dat niet voor alle stellingen. Dit maakt dat niet alle items evenveel van toepassing zijn. Desondanks zijn alle stellingen voorgelegd. Het onderzoek is uitgevoerd bij een multidisciplinair minorprogramma gericht op gezondheid en technologie waaraan studenten van diverse opleidingen, zoals verpleegkunde, MBRT (Medisch Beeldvormende en Radiotherapeutische technieken), toegepaste gerontologie, maar ook ICT en mechatronica deelnamen. Zestien studenten hadden tijdens het onderzoek wekelijks of vaker contact met oudere mensen. Drie respondenten hadden maandelijks of minder vaak contact met oudere mensen.

Resultaten van de ‘Facts on Ageing quiz’

De kennis over de vijftig stellingen was zeer wisselend, van 100% correct tot slechts 21% correct. Omdat de gokkans voor deze stellingen 50% is (ja/ nee), duiden scores onder dit percentage op ‘onjuiste kennis’. Alles tussen de 50% en 65% zit heel dicht op de gokkans en zien we als ‘geen kennis’. Een score van 65% tot 85% is goed en een hogere score zeer goed (‘goede kennis’, respectievelijk ‘zeer goede kennis’). Deze indeling is arbitrair. Wat belangrijk is, is dat er sprake is van een glijdende schaal van ‘verkeerde kennis’ tot ‘zeer goede kennis. Tabel 1 toont een selectie van de stellingen met daarbij de correcte antwoorden en het percentage studenten dat de vraag correct beantwoord heeft. De selectie is zo gemaakt dat van alle door ons gemaakte categorieën (onjuiste kennis, geen kennis, goede kennis en zeer goede kennis) vijf stellingen worden getoond.

In totaal acht vragen duiden op ‘zeer goede kennis’ en vijftien vragen op ‘goede kennis’. Dat betreft samen iets minder dan de helft van de items (N = 23). Studenten blijken geïnformeerd over onderwerpen als reactietijd, lichamelijke kracht, intelligentie en stress. Over vijftien stellingen is ‘geen kennis’ aanwezig, hoewel het ook zo kan zijn dat ongeveer de helft van de studenten wél de juiste kennis heeft en de andere helft onjuiste kennis. Het betreft hier onderwerpen als seksualiteit, schadelijkheid van pensionering voor gezondheid en verandervermogen van oudere mensen.

Twaalf van de stellingen duiden op ‘onjuiste kennis’. Studenten presteren hier slechter dan de gokkans. Dit betekent dat er onjuiste aannames bestaan over het proces en de gevolgen van veroudering. Het gaat hier bijvoorbeeld over het leervermogen van ouderen, het beeld dat ouderen hebben van de eigen gezondheid, verkeersveiligheid en aanpassingsvermogen aan nieuwe omstandigheden. Onjuiste beeldvorming over dit soort onderwerpen kan leiden tot stereotype handelen en leeftijdsdiscriminatie.

https://gerontijdschrift.nl/artikelen/professionals-van-de-toekomst-weten-minder-over-ouderen-dan-gehoopt/

Meer aandacht voor gerontologie in onderwijs

Gegeven de beperkte omvang van deze studie (N =19), kunnen we uiteraard geen harde conclusies trekken over de kennis van alle (zorg-)professionals in opleiding. De resultaten van deze studie vormen een aanwijzing dat (zorg-)professionals van de toekomst beperkte kennis van veroudering en gerontologie hebben. Beperkte kennis is bezwaarlijk, omdat deze studenten in de toekomst veel met oudere mensen zullen werken en het van belang is dat zij dit doen op basis van correcte informatie en niet op basis van stereotypebeelden. Het is daarom van belang kennis over veroudering en gerontologie op te nemen als onderdeel van onderwijscurricula op universiteiten en hogescholen.